Ik heb een orchidee. Zij staat thuis in de hoek, afgeschreven. Wanneer ik haar ontving bloeide ze en genoot ik van haar bloemen. Nu zijn haar takken leeg, haar bladeren slap. Ik trachtte haar nieuw leven in te roepen; knipte haar stengels, gaf water, zette haar in de zon. Niets ontpopte en na verloop hing ze er alleen maar treuriger bij. Na een paar maanden gaf ik het op. Ze was me een doorn in het oog. En ik plaatste haar in een hoek van het huis waar ik maar zelden kwam. Ik gaf haar geen water meer. Ze stond op de tocht en schots en scheef in de pot. Sporadisch gaf ik haar een blik. Op een dag was ik het zat. Ik gooi haar weg, ze gaat niet meer bloeien en rot hier weg. Ze is allang dood concludeerde ik driftig. Ik liep met vuilniszak in de hand verwoed naar haar toe. Ik pakte haar bij de stengels en slingerde haar de zak in. Wat voelde ik in mijn hand? Ik keek in de zak. Tot mijn verbazing zag ik een heel klein fris scheutje aan een van de takken. Waar ik haar afschreef en de hoop op leven totaal had opgegeven, ging haar moleculaire proces van groei en vernieuwing door. Voor mijn oog dood en dor, voor haar rust en opladen. Mijn afwijzing, haar geduld. Mijn hopeloosheid, haar vertrouwen. Mijn controle, haar zorgeloosheid. Het verhaal van mijn orchidee.